Hier vind je een groot assortiment aan voorbeeldzinnen voor het woord nucleotide, oftewel zinnen die je kunnen helpen om nucleotide in een zin te gebruiken. Leren hoe je een woord in een zin moet gebruiken, kan erg nuttig zijn, bijvoorbeeld als het gaat om het leren gebruiken van het woord in een zin, in welke context het woord kan worden gebruikt en om de ware betekenis van het woord te leren "nucleotide". Daarnaast laten we ook zien hoe verschillende verbuigingen van nucleotide kunnen worden gebruikt, de verbuigingen waar we ook voorbeeldzinnen voor hebben zijn: nucleotideketen, nucleotideketens, nucleotides en nucleotidesequentie. Als u op de verbuiging van nucleotide klikt waarin u geïnteresseerd bent, komt u bij de lijst met voorbeeldzinnen voor die specifieke vorm.
Nucleotide in een zin
Hieronder vind je verschillende zinnen die illustreren hoe je het woord nucleotide in een zin gebruikt.
Eén nucleotide is 3,3 ångström lang.
Een nucleotide bestaat uit drie componenten:.
Een nucleotide bestaat uit drie hoofdcomponenten:.
Cytosine kan een verbinding vormen met een nucleotide.
G-actine bindt het nucleotide ATP (adenosinetrifosfaat).
In de meeste gevallen gaat het om een verandering van één nucleotide.
RNA heeft het nucleotide uracil (U) in plaats van de nucleotide thymine.
De desoxyribose, het fosfaat, en de base samen worden nucleotide genoemd.
De binding van zowel cofiline als ook profiline wordt door het actinegebonden nucleotide bepaald.
Een volgende nucleotide kan alleen binden aan het 3’-eind van een nucleotide dat al is ingebouwd.
Welk nucleotide dit zal zijn, wordt steeds bepaald door de tegenoverliggende DNA- of RNA-nucleotide.
Niet meer bruikbare nucleotiden worden afgebroken en uit deze afbraakproducten wordt een nieuw nucleotide gevormd.
Wanneer de mutatie slechts één nucleotide (of ook wel enkele nucleotiden) betreft, dan is er sprake van puntmutaties.
Toevoegen of weglaten van een nucleotide leidt namelijk tot een verstoring van het leesraam: dit wordt frameshiftmutatie genoemd.
Allereerst vormt een nucleotide op de zijtakplaats (branche site) met de voorste nucleotide van het intron een "intronlasso" (lariat).
Iedere nucleotide bestaat uit drie onderdelen: een nucleobase, een desoxyribosegroep (bij RNA: ribose) en één tot drie fosfaatgroepen.
Een siRNA bestaat uit een meestal 21 nucleotide lang dubbelstrengs-RNA in met aan de 3'-kanten een uitstekend stukje van twee nucleotiden.
Actinemonomeren binden echter ATP sterker dan ADP, wisselen daardoor het nucleotide uit en kunnen weer aan het (+)-eind aangehecht worden.
Hoewel iedere nucleotide een basische groep bevat, is de bijdrage van de zure fosfaatgroepen groter, zodat DNA toch een zuur genoemd kan worden.
NADP wordt gevormd uit het sterk gelijkende NAD, door koppeling van een extra fosfaatgroep aan de ribose-ring van de nucleotide die adenine draagt.
Langs beide ketens wordt dan een nieuwe keten gevormd, waarbij zich aan elke blootliggende nucleotide een bijpassende base hecht: A bij T en C bij G.
Ook worden restrictie-enzymen gebruikt voor het vinden van SNP's (Single nucleotide polymorphismen), hierdoor kan een allel uit het DNA geknipt worden.
Verdere hydrolyse vervangt ook het andere chlooratoom door water, waardoor cisplatine ook met een tweede stikstofatoom in een nucleotide kan complexeren.
De anticodons van sommige tRNA's kunnen meer dan één codon herkennen, omdat de tRNA-herkenning van het derde nucleotide van het codon niet altijd juist is.
Een nucleotide van mRNA bestaat uit een fosfaat die aan het vijfde koolstofatoom van ribose vastzit en aan de ribose-eenheid zit een stikstofbase gekoppeld.
Het molecuul bestaat uit twee nucleotiden, onderling verbonden via de fosfaatgroepen, waarvan de ene nucleotide de nucleobase adenine draagt en de ander nicotinamide.
Toevoeging van adenylaat aan dit molecuul leidt tot de vorming van een dinucleotide, waarvan de ene nucleotide adenine en de andere nicotinezuur draagt, afgekort NaAD.
Doordat er een zuurstofatoom ontbreekt op het derde koolstofatoom van de ribose, is deze niet in in staat te binden aan de volgende nucleotide tijdens DNA-polymerisatie.
Desoxyribose vormt samen met een trifosfaat en één base (adenine, guanine, cytosine of thymine) een nucleotide, één bouwsteen van desoxyribonucleïnezuur, beter bekend als DNA.
Zo ontstaat een streng die een richting heeft van het vijfde atoom van het eerste nucleotide (de 5'-kant) aan de ene kant naar het derde atoom van het laatste nucleotide (de 3'-kant).
Daarna reageert de achterste nucleotide van het eerste exon met de voorste nucleotide van het tweede exon en verbindt zo de twee exons met elkaar, waarbij de intronlasso loslaat en verdwijnt.
Hierbij kijkt men naar eigenschappen van alle 22 niet geslachtsgebonden chromosomen.Daarbij wordt vooral gelet op specifieke eigenschappen van baseparen, zogenaamde SNP's (single nucleotide polymorphisms).
Algemene informatie over "nucleotide" voorbeeldzinnen
De voorbeeldzinnen voor het woord nucleotide die we op deze website presenteren, komen uit verschillende officiële bronnen. Een van onze bronnen zijn bijvoorbeeld artikelen op Wikipedia die zijn geclassificeerd als ten minste goede artikelen. Maar we gebruiken ook nieuwsartikelen, boeken en andere algemene teksten om voorbeeldzinnen te verzamelen over hoe het woord "nucleotide" in een zin kan worden gebruikt. Rechts van elke zin vindt u een link-uit-pijl die u naar de bron van de zin stuurt, waar u toegang hebt tot de volledige tekst en context voor de gepresenteerde voorbeeldzin. Dit kan handig zijn omdat sommige woorden soms moeilijk te begrijpen zijn met alleen een zin voor de context, terwijl het volledige artikel of de volledige tekst u kan helpen inzicht te krijgen in het gebruik van het woord "nucleotide".